Een werkgever moet zijn personeel normaal gesproken inlichten wanneer er een camera wordt opgehangen, omdat het strafrecht heimelijk opnamen van iemand maken verbiedt. De ondernemingsraad heeft instemmingsrecht op dit onderwerp.
Bedreigende briefjes
Dat had de werkgever in deze kwestie niet gedaan. Het betrof een bedrijf dat personeel in dienst had in het kader van sociale werkvoorziening. Het personeel werd geteisterd door één werknemer die briefjes in de personeelkluisjes stopte, met daarop zeer beledigende en bedreigende, op de persoon gerichte teksten.
De verdenking rustte al snel op een werkneemster die zich meerdere keren verdacht gedroeg. Ze was al eens ondervraagd en geschorst, maar zij ontkende steeds in alle toonaarden. Ten einde raad hing de werkgever camera’s op, waarop al snel te zien was hoe de werkneemster de gewraakte briefjes in de kluisjes van collega’s schoof.
Niet onbruikbaar
Daarmee stapte de werkgever naar de rechter, met het verzoek de arbeidsovereenkomst te beëindigen. De werkneemster bleef ontkennen, en stelde dat het bewijs onrechtmatig verkregen was. De rechter oordeelde dat dit inderdaad het geval was. De werkgever had het personeel van tevoren moeten inlichten, op grond van de strafwet.
Maar in deze civiele procedure achtte de rechter het bewijs niet per definitie onbruikbaar. Hij vond het belang van de werkgever om de bedreiger op te sporen belangrijker dan de inbreuk op de privacy, en daarom mocht het videobewijs in deze procedure toch gebruikt worden. De werkneemster werd vervolgens zonder toekenning van een vergoeding ontslagen.













